- Info
- Fragment
- Quotes
- In de media
De Maffia Tapes
‘Gevestigde reputaties sneuvelden, banken en financiële instellingen wankelden, beursnoteringen werden opgeschort, politici moesten aftreden of diep door het stof, advocaten maakten overuren, gevangenisdeuren vielen voor menigeen in het slot.’
‘Cees Koring was een eminent misdaadverslaggever, een ‘zware jongen’, om in termen te blijven, écht een van de allerbeste!’ - PETER R. DE VRIES
‘Cees Koring was een eminent misdaadverslaggever, een ‘zware jongen’, om in termen te blijven, écht een van de allerbeste!’ - PETER R. DE VRIES
Cees Koring werkte bijna veertig jaar bij dagblad De Telegraaf, waarvan bijna de helft als misdaadverslaggever. Hij is, zoals wel wordt gezegd, de ‘peetvader’ van de misdaadjournalistiek in Nederland. Van zijn hand verschenen honderden artikelen over zaken die landelijk aandacht trokken, zoals de Zaanse paskamermoord en de ontvoeringen van Gerrit Jan Heijn en Maup Caransa. Hij publiceerde onder meer de bestseller Bureau Warmoesstraat, een reportage over de veelbesproken politiepost in de Amsterdamse rosse buurt.
In dit boek vertelt Cees Koring over zijn eigen rol in een aantal misdaadzaken. Zo was hij de eerste journalist die onthulde dat politie en justitie werden afgeluisterd door de drugsmaffia in Nederland. Zijn werk was in veel opzichten riskant. Koring werd in maart 1990 in zijn woning te Amsterdam door criminelen overvallen en zwaar mishandeld. In De Maffia Tapes vertelt hij voor het eerst zijn verhaal en over de achtergronden van de aanslag.
Speech bij de presentatie van zijn boek De Maffia Tapes:
Vlak voor de laatste Prinsjesdag had RTL-verslaggever Frits Wester zijn jaarlijkse primeur. Hij legde beslag op de miljoenennota en publiceerde een deel van de inhoud terwijl daar nog embargo op rustte. De politiek viel over hem heen, kamervoorzitter Gerdi Verbeet gelastte een onderzoek, want, voor de zoveelste keer, dit kon toch helemaal niet? De koningin had de primeur moeten hebben om te vertellen welke ellende het volk te wachten staat. Frits Wester had de vorstin op deze manier geschoffeerd. Maar daar was lang niet iedereen het mee eens. Arendo Joustra, voorzitter van het genootschap van hoofdredacteuren, nam Wester in bescherming met de uitspraak dat de ‘journalistiek nou eenmaal is uitgevonden’ om zulke onthullingen te doen.
Ik ben het daar hardgrondig mee eens. Journalisten dienen het algemeen belang. Embargo’s op nieuws zijn in mijn ogen uit den boze, behalve en dat zeg ik met nadruk, behalve als mensenlevens in het geding zijn. Journalisten hebben de plicht om hun lezers zo snel en duidelijk mogelijk te melden wat in hun leefomgeving speelt en misstanden te onthullen. Ook al worden daarbij bestaande regels en soms zelfs de wet overtreden, maar daar kom ik nog op. Het enige belang is het algemeen belang. Het doet mij daarom bijzonder veel deugt dat dat standpunt bij De Telegraaf waar ik bijna veertig jaar lang met veel plezier heb gewerkt nog steeds wordt gehuldigd. Persvrijheid is een hoog goed. Ik wil meteen maar even benadrukken dat ik bijzonder veel respect heb voor de manier waarop mijn collega’s Jolande van der Graaf, Joost de Haas en Bart Mos, maar ook de hoofdredactie zijn omgegaan met de druk die hun recente onthullingen over de AIVD teweeg brachten.
Het voordeel van ouder worden is dat je terug kunt kijken. En terugkijkend moet ik constateren dat ik het in mijn 20-jarige carrière als misdaadverslaggever óók niet altijd zo nauw heb genomen met de regels. In mijn boek De maffiatapes, dat vandaag ten doop wordt gehouden, haal ik daarvan enkele voorbeelden aan. Een keer stapte ik, ‘vermomd’ als hulpadvocaat, de psychiatrische afdeling van een ziekenhuis in Utrecht binnen waar, in opdracht van justitie, een agent werd onderzocht die iemand had doodgeschoten. Ik had met mijn koffertje kennelijk de uitstraling van een jurist want niemand vroeg naar mijn identiteit en zo kon ik achter deuren die eigenlijk gesloten hadden moeten blijven, de man interviewen waarover op dat moment heel Nederland sprak. De man was knettergek gemaakt door de man die hij doodde. De korpsleiding in Rotterdam, waar hij werkte, wist van dat conflict maar liet hem toch in het bezit van zijn dienstwapen. Met moord als gevolg. Ik vond dat de buitenwacht moest weten welke steken de korpsleiding had laten vallen voordat de rechtszaak begon. De agent werd vrijgesproken. Ook voor dit soort kwesties is de journalistiek uitgevonden.
In mijn boek biecht ik ook op dat ik een keer bewust de wet overtrad. Eigenlijk best een risico om dit te zeggen met een aantal dienders in deze ruimte. Maar ik kan dat nu zeggen omdat de zaak, en dat heb ik voor de zekerheid gecontroleerd, is verjaard. In 1994 onthulde ik als eerste journalist dat de politie en de justitie in Amsterdam werden afgeluisterd door figuren rond de beruchte drugsbaron Charles Zwolsman. Ik kon daarover berichtten omdat mij door een handlanger de plaats werd gewezen waar de zogenaamde maffiatapes waren opgeslagen. Korte tijd later kreeg ik die in handen. De publicaties leidde tot een storm van reacties, onder meer in de Tweede Kamer.
Bij de meeste dingen die ik deed had ik nauw overleg met de hoofdredactie van de krant. Maar in dit geval liet ik bewust achterwege dat ik contact had gehad met een crimineel die mij naar de maffiatapes leidde. Toen de hoofdredactie, in dit geval de betreurde Johan Olde Kalter, in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek door de rechter commissaris werd ondervraagd, kon hij naar waarheid zeggen dat hij niets wist van de herkomst van de tapes. Ik overtrad dus welbewust de wet, maar, zoals gezegd, ik deed dat in het algemeen belang. Ik vond dat heel Nederland moest weten dat de georganiseerde misdaad met de afluisterpraktijken greep had op de politie en justitie en hen op de meest brutale en niet eerder vertoonde manier in de wielen reed. En, als zo vaak, was De Telegraaf klokkenluider.
Ergens in mijn boek schrijf ik dat ik op sommige momenten, achteraf gezien, ietwat onbezonnen in mijn dooie eentje op gevaarlijke klussen afging. Ik stapte in louche kroegen ongedwongen af op zware criminelen, interviewde Turkse drugsbazen die maar met hun vingers hoefden te knippen of er vielen weer een paar doden. Maar dat ik als journalist in verband met mijn werk daadwerkelijk zou worden aangepakt kwam niet in me op. We leefden toch niet in Rusland? Of in een bananenrepubliek? Maar het overkwam me toch en ik had daarvan de twijfelachtige primeur. Op 20 maart 1990 drongen twee figuren mijn huis binnen om me voor een aantal maanden de mond te snoeren. Op zeker moment had ik het gevoel dat ze bezig waren om me dood te slaan. Over die gebeurtenis, de nasleep en over de mogelijke achtergronden heb ik tot nu toe altijd gezwegen. Dat had niet alleen te maken met mijn instelling dat je je als journalist nooit centraal moet stellen, maar ook en vooral met de angst van mijn overleden vrouw Lies, die de mishandeling voor haar ogen zag gebeuren.
Een jaar geleden was ik met mijn lieve partner Laura in de Franse stad Bayeux. Daar staat een monument met de namen van journalisten die sinds de Tweede Wereldoorlog door hun werk om het leven zijn gekomen. Toen ik daar liep schoot even door me heen dat mij dat in 1990 ook had kunnen gebeuren en dat mijn naam daar ook had kunnen staan. Achteraf realiseer ik me dat dat bezoek de aanleiding was om mijn memoires over de aanslag in mijn huis en andere gebeurtenissen uit mijn carrière in de misdaadjournalistiek aan de openbaarheid prijs te geven.
In dit boek vertelt Cees Koring over zijn eigen rol in een aantal misdaadzaken. Zo was hij de eerste journalist die onthulde dat politie en justitie werden afgeluisterd door de drugsmaffia in Nederland. Zijn werk was in veel opzichten riskant. Koring werd in maart 1990 in zijn woning te Amsterdam door criminelen overvallen en zwaar mishandeld. In De Maffia Tapes vertelt hij voor het eerst zijn verhaal en over de achtergronden van de aanslag.
Speech bij de presentatie van zijn boek De Maffia Tapes:
Vlak voor de laatste Prinsjesdag had RTL-verslaggever Frits Wester zijn jaarlijkse primeur. Hij legde beslag op de miljoenennota en publiceerde een deel van de inhoud terwijl daar nog embargo op rustte. De politiek viel over hem heen, kamervoorzitter Gerdi Verbeet gelastte een onderzoek, want, voor de zoveelste keer, dit kon toch helemaal niet? De koningin had de primeur moeten hebben om te vertellen welke ellende het volk te wachten staat. Frits Wester had de vorstin op deze manier geschoffeerd. Maar daar was lang niet iedereen het mee eens. Arendo Joustra, voorzitter van het genootschap van hoofdredacteuren, nam Wester in bescherming met de uitspraak dat de ‘journalistiek nou eenmaal is uitgevonden’ om zulke onthullingen te doen.
Ik ben het daar hardgrondig mee eens. Journalisten dienen het algemeen belang. Embargo’s op nieuws zijn in mijn ogen uit den boze, behalve en dat zeg ik met nadruk, behalve als mensenlevens in het geding zijn. Journalisten hebben de plicht om hun lezers zo snel en duidelijk mogelijk te melden wat in hun leefomgeving speelt en misstanden te onthullen. Ook al worden daarbij bestaande regels en soms zelfs de wet overtreden, maar daar kom ik nog op. Het enige belang is het algemeen belang. Het doet mij daarom bijzonder veel deugt dat dat standpunt bij De Telegraaf waar ik bijna veertig jaar lang met veel plezier heb gewerkt nog steeds wordt gehuldigd. Persvrijheid is een hoog goed. Ik wil meteen maar even benadrukken dat ik bijzonder veel respect heb voor de manier waarop mijn collega’s Jolande van der Graaf, Joost de Haas en Bart Mos, maar ook de hoofdredactie zijn omgegaan met de druk die hun recente onthullingen over de AIVD teweeg brachten.
Het voordeel van ouder worden is dat je terug kunt kijken. En terugkijkend moet ik constateren dat ik het in mijn 20-jarige carrière als misdaadverslaggever óók niet altijd zo nauw heb genomen met de regels. In mijn boek De maffiatapes, dat vandaag ten doop wordt gehouden, haal ik daarvan enkele voorbeelden aan. Een keer stapte ik, ‘vermomd’ als hulpadvocaat, de psychiatrische afdeling van een ziekenhuis in Utrecht binnen waar, in opdracht van justitie, een agent werd onderzocht die iemand had doodgeschoten. Ik had met mijn koffertje kennelijk de uitstraling van een jurist want niemand vroeg naar mijn identiteit en zo kon ik achter deuren die eigenlijk gesloten hadden moeten blijven, de man interviewen waarover op dat moment heel Nederland sprak. De man was knettergek gemaakt door de man die hij doodde. De korpsleiding in Rotterdam, waar hij werkte, wist van dat conflict maar liet hem toch in het bezit van zijn dienstwapen. Met moord als gevolg. Ik vond dat de buitenwacht moest weten welke steken de korpsleiding had laten vallen voordat de rechtszaak begon. De agent werd vrijgesproken. Ook voor dit soort kwesties is de journalistiek uitgevonden.
In mijn boek biecht ik ook op dat ik een keer bewust de wet overtrad. Eigenlijk best een risico om dit te zeggen met een aantal dienders in deze ruimte. Maar ik kan dat nu zeggen omdat de zaak, en dat heb ik voor de zekerheid gecontroleerd, is verjaard. In 1994 onthulde ik als eerste journalist dat de politie en de justitie in Amsterdam werden afgeluisterd door figuren rond de beruchte drugsbaron Charles Zwolsman. Ik kon daarover berichtten omdat mij door een handlanger de plaats werd gewezen waar de zogenaamde maffiatapes waren opgeslagen. Korte tijd later kreeg ik die in handen. De publicaties leidde tot een storm van reacties, onder meer in de Tweede Kamer.
Bij de meeste dingen die ik deed had ik nauw overleg met de hoofdredactie van de krant. Maar in dit geval liet ik bewust achterwege dat ik contact had gehad met een crimineel die mij naar de maffiatapes leidde. Toen de hoofdredactie, in dit geval de betreurde Johan Olde Kalter, in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek door de rechter commissaris werd ondervraagd, kon hij naar waarheid zeggen dat hij niets wist van de herkomst van de tapes. Ik overtrad dus welbewust de wet, maar, zoals gezegd, ik deed dat in het algemeen belang. Ik vond dat heel Nederland moest weten dat de georganiseerde misdaad met de afluisterpraktijken greep had op de politie en justitie en hen op de meest brutale en niet eerder vertoonde manier in de wielen reed. En, als zo vaak, was De Telegraaf klokkenluider.
Ergens in mijn boek schrijf ik dat ik op sommige momenten, achteraf gezien, ietwat onbezonnen in mijn dooie eentje op gevaarlijke klussen afging. Ik stapte in louche kroegen ongedwongen af op zware criminelen, interviewde Turkse drugsbazen die maar met hun vingers hoefden te knippen of er vielen weer een paar doden. Maar dat ik als journalist in verband met mijn werk daadwerkelijk zou worden aangepakt kwam niet in me op. We leefden toch niet in Rusland? Of in een bananenrepubliek? Maar het overkwam me toch en ik had daarvan de twijfelachtige primeur. Op 20 maart 1990 drongen twee figuren mijn huis binnen om me voor een aantal maanden de mond te snoeren. Op zeker moment had ik het gevoel dat ze bezig waren om me dood te slaan. Over die gebeurtenis, de nasleep en over de mogelijke achtergronden heb ik tot nu toe altijd gezwegen. Dat had niet alleen te maken met mijn instelling dat je je als journalist nooit centraal moet stellen, maar ook en vooral met de angst van mijn overleden vrouw Lies, die de mishandeling voor haar ogen zag gebeuren.
Een jaar geleden was ik met mijn lieve partner Laura in de Franse stad Bayeux. Daar staat een monument met de namen van journalisten die sinds de Tweede Wereldoorlog door hun werk om het leven zijn gekomen. Toen ik daar liep schoot even door me heen dat mij dat in 1990 ook had kunnen gebeuren en dat mijn naam daar ook had kunnen staan. Achteraf realiseer ik me dat dat bezoek de aanleiding was om mijn memoires over de aanslag in mijn huis en andere gebeurtenissen uit mijn carrière in de misdaadjournalistiek aan de openbaarheid prijs te geven.
De Maffia Tapes
‘Gevestigde reputaties sneuvelden, banken en financiële instellingen wankelden, beursnoteringen werden opgeschort, politici moesten aftreden of diep door het stof, advocaten maakten overuren, gevangenisdeuren vielen voor menigeen in het slot.’
‘Cees Koring was een eminent misdaadverslaggever, een ‘zware jongen’, om in termen te blijven, écht een van de allerbeste!’ - PETER R. DE VRIES
‘Cees Koring was een eminent misdaadverslaggever, een ‘zware jongen’, om in termen te blijven, écht een van de allerbeste!’ - PETER R. DE VRIES
Naderend onheil
Sommige gevoelens kun je niet precies duiden. Al een paar dagen liep ik rond met een gevoel van onbehagen, maar waarom dat was kon ik niet goed thuisbrengen. Waarschijnlijk had het te maken met vreemde telefoontjes. De meeste kwamen ’s avonds, na acht uur. Als mijn vrouw of ikzelf de telefoon opnam, volgde meestal alleen enige tijd stilte. Dan werd de hoorn op de haak gegooid. We hadden daardoor gealarmeerd moeten zijn. Als misdaadverslaggever van de grootste krant van Nederland liep je tenslotte risico’s. Toen, in 1990, waren de (financiële) belangen in het criminele milieu weliswaar minder groot dan tegenwoordig, maar tóch. De onderwereld houdt niet van pottenkijkers en dat was nu juist de rol die ik speelde; een van de eerste in dit bizarre vak. Ik had wel maatregelen genomen om risico’s te voorkomen. Ik deed mijn werk zo veel mogelijk in de anonimiteit. In overleg met de hoofdredactie van De Telegraaf was besloten om mijn naam alleen te plaatsen bij primeurs of heel bijzondere reportages. Het laten zien van je gezicht in de krant, of optreden in televisieprogramma’s, zoals nu heel gewoon is, deed je destijds al helemaal niet. Verder ontbrak een naambordje op ons privéadres, mijn nummer stond niet in de telefoongids en voor alle zekerheid stond de telefoonrekening op de meisjesnaam van mijn vrouw. Verder spraken we af om niet onze namen te zeggen als we de telefoon opnamen. We meldden ons alleen met het onbeleefde: ‘Hallo?’ Dat deden we dus ook toen die vreemde telefoontjes kwamen. Meestal zei de beller dus niets, maar één keer werd aan de andere kant door een man de vraag gesteld: ‘Is dit het nummer van Cees Koring?’ Omdat we niet antwoordden, werd aan de andere kant direct de hoorn op de haak gegooid. Op de krant liet ik de mysterieuze telefoontjes onbesproken, wat ik later betreurde. Ook thuis spraken we er nauwelijks over. We gingen ervan uit dat het wel zou overwaaien, want ach, we leefden toch niet in een bananenrepubliek? Dit was toch Nederland? Ik kon me alleen herinneren dat Bram Brakel, voormalig Volkskrant-verslaggever en later mijn collega bij De Telegraaf, begin jaren zestig op de Wallen van de penose weleens een flink pak slaag had gekregen. Wij moesten die vreemde telefoontjes dan ook maar gauw vergeten. Thuis moest je je vooral veilig voelen. Dit was de plek waar je afstand kon nemen van de afschuwelijke misdrijven en nachtelijke gesprekken met meedogenloze criminelen. Toch sloop onzekerheid ons huis binnen. En dat was nog maar het begin. Algauw zou blijken dat de telefoontjes de voorboden waren van grof geweld. Op 20 maart 1990 werd ik in mijn eigen woning door twee mannen overvallen en in elkaar geslagen. Iemand wilde mij de mond snoeren of had opdracht gegeven dat te doen. De onderwereld bepaalde die dag in ieder geval hoe ver de journalistieke vrijheid mocht gaan. We woonden op een mooie plek in Amsterdam-Zuid, vlak bij het Vondelpark, direct aan het water. Ons appartement, een maisonnette, lag op drie en vier hoog in een gebouw met nog dertien andere woningen. Op het oog een veilig gebouw, zomaar binnenkomen was er niet bij. Je moest je melden via een intercom en pas als het vertrouwd was, werd de buitendeur geopend. Via het trappenhuis of de lift kwam je bij de ingang van ons huis, dat aan de andere kant van het water aan een galerij lag. Via de vensters was van binnenuit goed te zien wie er voor de deur stond. In 1982, toen ik als misdaadverslaggever Wim van Geffen opvolgde, hadden mijn vrouw Lies en ik ervoor gekozen om op deze plek in Amsterdam te gaan wonen. Het was niet alleen vanwege de ligging en de veiligheid een ideaal huis, maar ook niet ver van de krant. Als mijn komst op de redactie gewenst was, kon ik er binnen tien minuten zijn. Als specialist in misdaadzaken werd ik vaak ’s nachts opgetrommeld. Dat was bijvoorbeeld na de bomaanslag op de woning van staatssecretaris Aad Kosto en de ontknoping van ontvoeringen, zoals die van Gijs van Dam jr. en Ahold-topman Gerrit Jan Heijn. Soms ging ik samen met een fotograaf op pad. Maar meestal werkte ik alleen en schreef ik mijn reportages thuis. Dikwijls ging dat over moord en doodslag, maar omdat ik ervoor had gekozen om me in het vak van misdaadjournalist te verdiepen, belichtte ik meer dan vroeger het geval was het lot van slachtoffers. Daarnaast hield ik me ook intensief bezig met andere onderbelichte kanten van dit werk: fraudezaken in de bouw- en bankwereld, zwendel, afpersing en roof in de kunsthandel. Ook beschreef ik achtergronden van de Turkse en Nederlandse maffia. Zo kon ik, allang voordat hij bekend werd als ‘bankier van de onderwereld’, de naam van Willem Endstra koppelen aan een grote xtc-bende.
Sommige gevoelens kun je niet precies duiden. Al een paar dagen liep ik rond met een gevoel van onbehagen, maar waarom dat was kon ik niet goed thuisbrengen. Waarschijnlijk had het te maken met vreemde telefoontjes. De meeste kwamen ’s avonds, na acht uur. Als mijn vrouw of ikzelf de telefoon opnam, volgde meestal alleen enige tijd stilte. Dan werd de hoorn op de haak gegooid. We hadden daardoor gealarmeerd moeten zijn. Als misdaadverslaggever van de grootste krant van Nederland liep je tenslotte risico’s. Toen, in 1990, waren de (financiële) belangen in het criminele milieu weliswaar minder groot dan tegenwoordig, maar tóch. De onderwereld houdt niet van pottenkijkers en dat was nu juist de rol die ik speelde; een van de eerste in dit bizarre vak. Ik had wel maatregelen genomen om risico’s te voorkomen. Ik deed mijn werk zo veel mogelijk in de anonimiteit. In overleg met de hoofdredactie van De Telegraaf was besloten om mijn naam alleen te plaatsen bij primeurs of heel bijzondere reportages. Het laten zien van je gezicht in de krant, of optreden in televisieprogramma’s, zoals nu heel gewoon is, deed je destijds al helemaal niet. Verder ontbrak een naambordje op ons privéadres, mijn nummer stond niet in de telefoongids en voor alle zekerheid stond de telefoonrekening op de meisjesnaam van mijn vrouw. Verder spraken we af om niet onze namen te zeggen als we de telefoon opnamen. We meldden ons alleen met het onbeleefde: ‘Hallo?’ Dat deden we dus ook toen die vreemde telefoontjes kwamen. Meestal zei de beller dus niets, maar één keer werd aan de andere kant door een man de vraag gesteld: ‘Is dit het nummer van Cees Koring?’ Omdat we niet antwoordden, werd aan de andere kant direct de hoorn op de haak gegooid. Op de krant liet ik de mysterieuze telefoontjes onbesproken, wat ik later betreurde. Ook thuis spraken we er nauwelijks over. We gingen ervan uit dat het wel zou overwaaien, want ach, we leefden toch niet in een bananenrepubliek? Dit was toch Nederland? Ik kon me alleen herinneren dat Bram Brakel, voormalig Volkskrant-verslaggever en later mijn collega bij De Telegraaf, begin jaren zestig op de Wallen van de penose weleens een flink pak slaag had gekregen. Wij moesten die vreemde telefoontjes dan ook maar gauw vergeten. Thuis moest je je vooral veilig voelen. Dit was de plek waar je afstand kon nemen van de afschuwelijke misdrijven en nachtelijke gesprekken met meedogenloze criminelen. Toch sloop onzekerheid ons huis binnen. En dat was nog maar het begin. Algauw zou blijken dat de telefoontjes de voorboden waren van grof geweld. Op 20 maart 1990 werd ik in mijn eigen woning door twee mannen overvallen en in elkaar geslagen. Iemand wilde mij de mond snoeren of had opdracht gegeven dat te doen. De onderwereld bepaalde die dag in ieder geval hoe ver de journalistieke vrijheid mocht gaan. We woonden op een mooie plek in Amsterdam-Zuid, vlak bij het Vondelpark, direct aan het water. Ons appartement, een maisonnette, lag op drie en vier hoog in een gebouw met nog dertien andere woningen. Op het oog een veilig gebouw, zomaar binnenkomen was er niet bij. Je moest je melden via een intercom en pas als het vertrouwd was, werd de buitendeur geopend. Via het trappenhuis of de lift kwam je bij de ingang van ons huis, dat aan de andere kant van het water aan een galerij lag. Via de vensters was van binnenuit goed te zien wie er voor de deur stond. In 1982, toen ik als misdaadverslaggever Wim van Geffen opvolgde, hadden mijn vrouw Lies en ik ervoor gekozen om op deze plek in Amsterdam te gaan wonen. Het was niet alleen vanwege de ligging en de veiligheid een ideaal huis, maar ook niet ver van de krant. Als mijn komst op de redactie gewenst was, kon ik er binnen tien minuten zijn. Als specialist in misdaadzaken werd ik vaak ’s nachts opgetrommeld. Dat was bijvoorbeeld na de bomaanslag op de woning van staatssecretaris Aad Kosto en de ontknoping van ontvoeringen, zoals die van Gijs van Dam jr. en Ahold-topman Gerrit Jan Heijn. Soms ging ik samen met een fotograaf op pad. Maar meestal werkte ik alleen en schreef ik mijn reportages thuis. Dikwijls ging dat over moord en doodslag, maar omdat ik ervoor had gekozen om me in het vak van misdaadjournalist te verdiepen, belichtte ik meer dan vroeger het geval was het lot van slachtoffers. Daarnaast hield ik me ook intensief bezig met andere onderbelichte kanten van dit werk: fraudezaken in de bouw- en bankwereld, zwendel, afpersing en roof in de kunsthandel. Ook beschreef ik achtergronden van de Turkse en Nederlandse maffia. Zo kon ik, allang voordat hij bekend werd als ‘bankier van de onderwereld’, de naam van Willem Endstra koppelen aan een grote xtc-bende.
De Maffia Tapes
‘Gevestigde reputaties sneuvelden, banken en financiële instellingen wankelden, beursnoteringen werden opgeschort, politici moesten aftreden of diep door het stof, advocaten maakten overuren, gevangenisdeuren vielen voor menigeen in het slot.’
‘Cees Koring was een eminent misdaadverslaggever, een ‘zware jongen’, om in termen te blijven, écht een van de allerbeste!’ - PETER R. DE VRIES
‘Cees Koring was een eminent misdaadverslaggever, een ‘zware jongen’, om in termen te blijven, écht een van de allerbeste!’ - PETER R. DE VRIES
'alles opgeschreven met de vlotte pen van een doorgewinterde verslaggever die gewend is om to the point' te informeren' - nu.nl
‘Ik kan iedereen aanbevelen om het te lezen.' - Bram Moszkowicz in RTL Boulevard
‘Cees Koring was een eminent misdaadverslaggever, een ‘zware jongen’, om in termen te blijven, écht een van de allerbesten!’ - Peter R. de Vries
‘Ik kan iedereen aanbevelen om het te lezen.' - Bram Moszkowicz in RTL Boulevard
‘Cees Koring was een eminent misdaadverslaggever, een ‘zware jongen’, om in termen te blijven, écht een van de allerbesten!’ - Peter R. de Vries
De Maffia Tapes
‘Gevestigde reputaties sneuvelden, banken en financiële instellingen wankelden, beursnoteringen werden opgeschort, politici moesten aftreden of diep door het stof, advocaten maakten overuren, gevangenisdeuren vielen voor menigeen in het slot.’
‘Cees Koring was een eminent misdaadverslaggever, een ‘zware jongen’, om in termen te blijven, écht een van de allerbeste!’ - PETER R. DE VRIES
‘Cees Koring was een eminent misdaadverslaggever, een ‘zware jongen’, om in termen te blijven, écht een van de allerbeste!’ - PETER R. DE VRIES
Voor ondergetekende, die de verslaggeving nooit bijhield, is het verbijsterend materiaal. Er worden groezelige gordijnen opzij getrokken in De Maffiatapes. Er wordt inside informatie gegeven over tipgevers bij misdadigers en politie.
NU.NL
