Ouderwetse erwtensoep

Ouderwetse erwtensoep

Iemand uit mijn vriendenkring bestelde een keer erwtensoep – zo stond het op de menukaart omschreven. Groot was zijn teleurstelling toen bleek dat het om soep van doperwtjes ging, want dat is beslist een heel ander soort soep. Erwtensoep of snert is zo’n klassieker die iedereen wel kent. Voedzaam en verwarmend, heerlijk na een schaatstocht of een wandeling door een winters landschap. Vaak wordt erwtensoep gegeten in combinatie met roggebrood en katenspek. Die combinatie stamt uit de tijd dat veel mensen nog zware lichamelijke arbeid verrichtten en dus zeker in de koude wintermaanden goed gevoed moesten worden. Het woord snert is afgeleid van het oud-Hollandse ‘snerten’, wat ‘fijnkoken’ betekent. Een andere verklaring vind ik in een etymologisch woordenboek van het Afrikaans: hierin is ‘snert’ een afgeleide van ‘snars’: ‘ontsnapping van darmgassen, buikwind’.

In oudere recepten wordt de soep met een halve varkenskop gemaakt. In een tijd waarin het meeste vlees zo verwerkt is dat het ons niet meer aan een dier doet denken, is dat voor velen een beetje ondenkbaar en afschrikwekkend. De varkenskop bevatte veel gelatineus vlees en zorgde behalve voor vlees en een krachtige bouillon ook voor het binden van de soep. Ook hamschijf, het bovenste deel van de poot, werd voor dit doel gebruikt. Dat is de kluif uit de ‘erwtensoep met kluif’, zoals dit gerecht vroeger ook bekendstond.

Ik denk dat iedere familie wel zijn eigen erwtensoeprecept heeft. Ons familierecept is genoeg voor een enorme pan, want bij ons in de familie worden grote pannen gekookt en wordt er vervolgens uitgedeeld. Behalve het recept heb ik ook die gewoonte overgenomen. Behalve uitdelen kun je deze soep natuurlijk ook invriezen of een dagje bewaren. Want ook voor deze soep geldt: een dag later is hij nóg lekkerder.